De totale koolstofdioxidevoetafdruk van het bedrijf meten volgens het GHG-protocol

De emissiebronnen

De meeste menselijke activiteiten, zowel professioneel als particulier, genereren emissies die bijdragen tot het broeikaseffect. Deze kunnen onderscheiden worden naar hun aard (soort uitgestoten gas), oorsprong of soort actie die al dan niet ondernomen kan worden om de hoeveelheid ervan te verlagen.

 

Sommige emissiebronnen vallen onder de directe controle van de onderneming, zoals het verbruik van elektriciteit en aardgas in de gebouwen waarvan de onderneming eigenaar is. De controle is indirect wanneer de onderneming enkel huurder is.

 

Op andere emissie bronnen oefent de onderneming slechts gedeeltelijk controle uit. Bij Luminus kunnen we het rendement van de thermische productie-eenheden en hun werkingsregime (zelden of vaak opstarten, op volle of gedeeltelijke kracht) vermelden. De hoeveelheid emissies die daarmee samenhangt, wordt bepaald door de keuzes die Luminus maakt bij de vernieuwing van het productiepark, maar ook en zelfs vooral door de evolutie van de technologieën die de constructeurs gebruiken. Over het algemeen gaat de stijging van het rendement gepaard met een vermindering van de uitstoot.

 

De effectieve uitstoot hangt af van de evolutie van het verbruik van de klanten en het marktaandeel van de onderneming, maar ook van het energiebeleid in elk land, en van de “merit order” op de groothandelsmarkten, die de goedkoopste handel verkiezen, na opname van de productie van hernieuwbare oorsprong. Wat zijn eigen energiemix betreft spant Luminus zich dus in om de CO2-voetafdruk van zijn productiepark te verkleinen door zijn meest vervuilende centrales geleidelijk te sluiten en onshore windenergie verder te ontwikkelen.

 

In het geval van een energiebedrijf zoals Luminus, ontsnapt een groot deel van de voetafdruk (verbruik van aardgas of elektriciteit door de eindklanten) aan de rechtstreekse controle van de onderneming. Het verbruik van de klanten helpen verminderen of de milieu-impact ervan beperken via hernieuwbare energiebronnen is bijgevolg een prioriteit voor Luminus. 

Het GHG-protocol

Luminus meet zijn totale  CO2-voetafdruk sinds 2011 en volgt daarbij het GHG-protocol (Greenhouse Gas Protocol). Deze methode is internationaal het meest erkend voor de berekening van de koolstofvoetafdruk.

 

Luminus volgt het GHG-protocol (Greenhouse Gas Protocol) voor de inzameling van gegevens en de berekening van de totale voetafdruk. Deze methode werd ontwikkeld op initiatief van het WRI (World Resource Institute) en de WBCSD (World Business Council for Sustainable Development) in overleg met bedrijven, ngo’s en overheden.

 

Het protocol omvat de zes belangrijkste broeikasgassen: koolstofdioxide (CO2), methaan (CH4), stikstofprotoxide (N2O), fluorkoolwaterstoffen (HFK), perfluorkoolwaterstoffen (PFK), zwavelhexafluoride (SF6). De gegevens worden voorgesteld in ton CO2 -equivalent (tCO2e), de andere gassen worden omgezet op basis van hun aardopwarmingsvermogen.

 

Het GHG-protocol brengt de uitstoot van broeikasgassen onder in drie categorieën, zodat elke onderneming haar uitstoot kan bepalen:

  • Afkomstig van bronnen die eigendom zijn van of gecontroleerd worden door het bedrijf (scope 1) – in het geval van Luminus zijn dat de emissies van de elektriciteitscentrales op aardgas, van het bedrijfsvoertuigenpark en deze afkomstig van de lokale verwarming van de gebouwen.
  • Afkomstig van de elektriciteitsproductie verworven voor intern gebruik (scope 2) – in het geval van Luminus betreft het enkel de elektriciteit verbruikt in de industriële of tertiaire gebouwen van het bedrijf.
  • De uitstoot die upstream en downstream wordt gegenereerd (scope 3) bij leveranciers (van goederen, diensten, brandstofbevoorrading of energie) of bij de eindklanten – hier vinden we de emissies afkomstig van de winning van delfstoffen of van het energietransport.

Weinig veranderingen van de methodologie in 2018

Elk jaar verfijnt Luminus de berekening van zijn CO2-voetafdruk om te voldoen aan de recentste rapporteringsprincipes van het GHG-protocol. Wanneer de berekeningsmethodes worden aangepast, gebeurt dat ook voor de voorgaande jaren om een vergelijkingsbasis te houden voor de drie geïllustreerde jaren.

 

In 2018 zijn de berekeningsmethodes niet significant veranderd.

 

Toch zijn twee updates het vermelden waard:

  • de emissiefactor van de auto's is door het Franse milieu- en energie-agentschap ADEME naar boven bijgesteld: per gereden kilometer met de auto bedraagt de emissiefactor 0,253 kgCO2/km, ten opzichte van 0,214 kgCO2/km in de voorgaande jaren. Dit betreft voornamelijk emissies van personenwagens, voor woon-werkverkeer en zakelijke verplaatsingen.
  • op het niveau van bron 3 werden de emissies met betrekking tot de aankoop van elektriciteit voor wederverkoop aan eindklanten herberekend in verhouding tot hun oorsprong, voor het jaar 2017. Dit maakt het mogelijk om, net als in 2016 en 2018, elektriciteitsaankopen uit warmtekrachtkoppeling, verbranding, 100% hernieuwbare bronnen of kernenergie te isoleren door ze een specifieke, hogere of lagere, emissiefactor toe te kennen.